Uit de memoires van Caril Ann Fugate

Bij Badlands van Terrence Malick

Ik:

“Wat een mooie plek.”

Hij:

“Ja, dat komt door de boom.”

Ik:

“En de bloemen….Laten we ze niet plukken. Ze zijn zo mooi.”

(later)

Ik:

“We verstopten ons bij een rivier tussen populieren.
Het regende en we maakten een boomhut
met muren van tamarisk en een vloer van wilgenhout.
We konden alle planten gebruiken.

Onder de grond wilden we tunnels maken,
en elke morgen bedachten we een nieuw wachtwoord voor die dag.

Meestal lagen we naar de hemel te staren.
Soms lagen we in een marmeren gang.
Dan praatten we zacht en hoorden we elk geluid.

Hij leerde me hoe je een geweer moet gebruiken
en uit elkaar halen.

Voor als ik alleen verder moest.

Zelfs de duivel kon ik doodschieten, zei hij.”

Gesprekken onder de hemel

Bij Der Himmel über Berlin van Wim Wenders
                       

I

Struikel niet zo over je kleuren,
en: waarom ben je nooit op tijd?

Ik moet je iets bekennen.

Geen tranen, toch? Misschien
komen die. Heb nog geen spijt.

Wees blij dat ze je vergeten zijn,
je bent eindelijk vrij.


II

Waarom ben ik ik en waarom niet jij?
Waarom ben ik hier en niet daar?

Tja….

Hoe kan het dat ik die ik ben,
niet daar was voor ik daar was?
En dat eens ik, die ik ben,
niet langer degene ben die ik ben?

Tja….


III

Zie je: die man vermindert vaart
en kijkt over zijn schouder de leegte in.

Dat kind knippert met de ogen.

Bedenk hoe een varen uit de grond
groeit. Je moet bij iedere windstoot
Nu en nu en nu willen zeggen.

Een halslijn vermoeden in plaats
van die te weten, bedoel je?

Dat bedoel ik!


IV

Niemand die iets van de ander weet.

Maar dat is toch een liturgie waarvoor
geen mens hoeft ingewijd te worden?

Wanneer bid je dan in je eigen woorden
en niet voor het eeuwige leven?

Doe of je een zwerm mussen bent.

Waar denk je dat ik mee bezig ben?


V

Momenten als deze zijn over
tien jaar een mooie herinnering.

Alsof pijn geen verleden heeft.
Het houdt altijd op als het net begint.

Als kind wilde ik op een eiland wonen.
Als een diertje dat verdwaald raakte.

Niet huilen. Zo gaan de dingen nu eenmaal.
Het gebeurt. Niet altijd zoals je wilt.

Dat is waar, maar wees manhaftig:
vergeet het huppelsprongetje niet.




                               Verschenen op Versindaba, Stellenbosch, 2015

Regieaanwijzingen

Bij de extra’s van The Return van Andrjej Zvjagintsev



I

Een stukje van de grond,
en dan doen we dezelfde zon.

Vertel me, wat versta je onder nacht?
Wel, wat versta je onder nacht?

Naar mijn mening dit: als de zon ondergaat.

Dat is niet conventioneel.


II

Het licht van het vuur kan niet op hem schijnen.

Ik kan je niet verstaan.

Misschien is de andere kant beter?

Zie je dat?

Ik zie het!

Niet ademen.

Ga asjeblieft naar de boot.

We gaan bewegen.


III

Misschien is dit niet genoeg.
Doe het zo. Zo is het genoeg.
Het water is trouwens warm.

Iedereen op zijn plaats.

Niet omkijken!

Wees voorzichtig, maar niet waterschuw.

(later)
Dat was het jongens. Kom maar terug.



                        Verschenen op Versindaba, Stellenbosch, 2015

De anderen

Bij  The Others van Alejandro Amenábar


I

“Wat zou er met hen gebeurd zijn?”

“Ze zijn vast dood, net als de rest.
Weg. Ah, dat waren nog eens tijden.”

“U bedoelt verdwenen?”

“In het niets. Zonder bericht.
Ze waren gewoon vertrokken.”

“Wat vreemd.”


II

“Ziet u wat ik doe?
Hier mag geen deur worden geopend
voordat de vorige dicht is.

Dat is van essentieel belang.
In dit huis wordt de stilte gekoesterd.
Doe de gordijnen maar dicht. Allemaal.”


III

“Wakker worden!
En dan nu: ogen dicht! Vouw je handen.
Pure Roos, waak over ons tot de avond valt.

“Wanneer komen ze terug? Komen ze terug?”

“Ze komen wel terug.”

“Gaat u ons ook verlaten?”

“Natuurlijk niet. Waarom zou ik dat doen?”

“Dat zeiden de anderen ook, maar ze gingen toch.”


IV

“Hier, hier beweegt alleen het licht.
Dan wordt alles anders. Je houdt het
alleen vol door rustig te blijven.

Denk eens aan het eind van de oneindigheid.
Weest niet bevreesd. Als je een geest ziet,
zwaai je maar naar hem.

Sommige dingen moet je alleen doen.
We moeten gehoorzaam zijn, want
kinderen die jokken eindigen in het voorgeborchte.”


V

“Ik geloof niet dat de Heilige Geest een duif is.”

“Ik ook niet.”

“Duiven zijn niet heilig.”

“Ze kakken tegen ramen.”


VI

“Die mist. Die is nog nooit zo blijven hangen.”

“Dat is waar. Je hoort zelfs de meeuwen niet.”

“Ze zeggen dat dit hun huis is.”

“Ze kijken niet, maar ze zien je wel.”

“Ze vragen dingen.”

“Wat vragen ze dan?”

“Dingen.”


VII

“Soms, als je een plek verlaat, laat die je niet los.
Het was alsof ik dit huis nooit verlaten had.”

“We kennen allemaal verhalen van de andere kant.”

“Alles op zijn tijd, alles op zijn tijd.”

“Je bent zo anders geworden. Zo anders.”

“Soms bloed ik.”

“Waarom heeft het zo lang geduurd?”

“Ik heb veel dode mannen gezien.”


VIII

“U gelooft alleen wat U  geleerd heeft.
Geen zorgen. Vroeger of later zal ook u hen zien.
En dan wordt alles anders.
Wij weten wat er moet gebeuren.”

“U weet helemaal niet wat er moet gebeuren!
Of….wèl?”

“We hebben geprobeerd het uit te leggen.”


IX

“Als ik het zeg, laten ze ons met rust.
 Geef nooit op. Wees flink. Wees flink.”

“Wat betekent dit allemaal? Waar zijn we?”

“Ik weet niets meer dan jullie. Maar:
niemand krijgt ons hier weg.”



                                   Verschenen op Versindaba, Stellenbosch, 2014

Vreemde gesprekken

Bij Lezione ventuno van Alessandro Baricco


I

“Let er niet te veel op. Het went wel.
Echter: het zijn eersteklas mensen, ook
de vogelmeester en de stiltefunctionaris.”

“Mag ik wat tijd van u lenen?”

Hij zou dat moment voor de rest
van zijn leven niet meer vergeten.

Er werd herhaald: “Waar
gaan gedichten eigenlijk over?”


II

“Bekijk dingen van dichtbij, anders
begrijpt u niets. Het geheim van het ijs
bijvoorbeeld, het is een soort plattegrond.”

“Er zijn honderden, neen: duizenden dagen
die we moeten begrijpen. Het geheim is
dat we de wereld leeg moeten maken.
We maken de wereld leeg voor hen.
We scheppen leegte!

Het is de leegte die de moeilijke stappen
mogelijk maakt, stappen die we anders
niet zouden kunnen zetten.”

“Maar er is hier niets. Alles is al leeg.”

“U heeft geen idee wat leegte is.”


III

“Wat moeten we met al die vogels?”

“We gebruiken ze als signaal.
We laten ze op het juiste moment los,
zodat zelfs op een afstand
de wereld het signaal ziet en even stilstaat.

Weet u hoe u de vogels stil krijgt?”

“Neen.”

“Door elkaar te zoenen!

“?”

“Het werkt, maar vraag me niet waarom.”


IV


Het was het zuiden van de ziel
waarop men jaren had gewacht.

“Weten jullie niet meer wat
 er allemaal geschreven is?”

Hij was een onverschrokken zeilschip
in een fles die in zee geworpen werd.
Opgesloten in een glazen stilte
was dat zijn manier van varen.

Het is waarschijnlijk dat er zonder
de stilte niets gebeurd was.
Zonder stilte kan er nooit iets gebeuren.

“Wij boffen. De sneeuw schept stilte.”

“De sneeuw vervult haar plicht.”

“Ze bewoog alsof ze niet uit zichzelf kon treden.”


V

Als een waaier die geopend werd,
oogde dit gebed voor leken.

“Het was geen gebed, maar een droom.”

“Weet u wat het droevigste is?
Omdat het een mooie zondag was
trokken de mensen de natuur in.”

Een voor een stapten vrienden op.

Er klonk oude muziek.

“Als je bejaard bent zijn sierlijke dingen
veel te ingewikkeld. Lichtheid verdampt
en wordt nutteloos, als vleugels zonder vogels.”

“Ach, die gebaren van de vergleden tijd.”

“Een wonder kan iedereen wel gebruiken.”



Verschenen in Gierik & Nieuw Vlaams Tijdschrift, 32ste jaargang, nummer 125, Antwerpen, 2014